De geschiedenis van Wado-Ryu karate
Het verhaal van de Wado-stijl begint bij Hironori Ohtsuka, geboren op 1 juni 1892 in
Shimodate City, Ibaraji, Japan. Hij kwam in contact met gevechtskunst door zijn oudoom
Chojiro Ebashi, die hem Ju Jitsu begon te leren.
Op 1 april 1897 begon hij Shindo Yoshin Ryu Ju Jitsu te leren onder het toezicht van
Shinzaburo Nakayama Sensei, de derde grootmeester van deze stijl. Deze stijl legt de
nadruk op de aard en gratie van beweging. Hier leerde de jonge Ohtsuka het belang van
natuurlijke bewegingen. Deze lessen spelen een grote rol in de hedendaagse Wado-karate.
De technieken zijn zowel gebaseerd op het gebruiken van het gewicht en de beweging van de
tegenstander, als op de eigen beweging.
Ohtsuka zette zijn studies voort en bestudeerde ook andere stijlen. Hij onderzocht de
technieken van de meeste gevechtskunsten en zocht naar hun positieve kwaliteiten. Hij
verbeterde enkele bestaande technieken in combinatie met andere, nieuwe technieken. Door
Ju Jitsu te bestuderen, leerde Ohtsuka heel veel over de vitale punten van het lichaam.
Op zijn achtentwintigste verjaardag behaalde hij de hoogste graad in Shindo Yoshin Ryu Ju
Jitsu en volgde zo zijn sensei op als vierde grootmeester.
In 1922 kwam hij voor het eerst in contact met karate. Gichin Funakoshi Sensei werd op
het 'sports festival' in Tokyo uitgenodigd om zijn stijl van Okinawaanse karate te
demonstreren. Kano Sensei accepteerde dat de geest van karate dezelfde was als die van
de andere Japanse gevechtskunsten, wat een grote stap was in de erkenning van karate.
Ohtsuka was erg onder de indruk van deze nieuwe gevechtskunst en bracht dan ook menig
bezoek aan Funakoshi. Deze was op zijn beurt onder de indruk van Ohtsukas enthousiasme
om karate te verstaan en ging ermee akkoord hem alles te leren wat hij wist. Binnen het
jaar had Ohtsuka alle kata's geleerd die Funakoshi van Okinawa had meegebracht, maar hij
vond enkele technieken en bewegingen moeilijk om te verstaan en uit te voeren. Daarom ging
hij op zoek naar een dieper begrip van de kata's samen met Mabuni sensei, de stichter van
Shuko-Ryu karate.
Dankzij zijn doorzettingsvermogen had hij het in 1925 geschopt tot Hoofdinstructeur van
Shinto Yoshin Ryu Ju Jitsu en assistent instructeur in de dojo van Funakoshi.
Tegen het jaar 1929 was hij een geregistreerd lid van de Japanse Gevechtskunst Federatie.
Op dat moment concentreerde Okinawaanse karate zich alleen op kata. Ohtsuka miste de
volledige geest van budo, verdediging en aanval, en was bezig met het ontwikkelen van
Yakusoko kumite, om het tekort aan aanvalstechnieken tegemoet te komen. Hij vond dat er
een nood was aan een meer vloeiend type van karate en verliet Funakoshi om zijn eigen stijl,
Wado, te ontwikkelen.
In 1934 werd Wado-Ryu als een aparte stijl erkend. In 1935 werd karate aanvaard als
gevechtskunst, maar eerst enkel als een verlengde van judo. In de jaren die daarop volgden
kende Wado-Ryu een grote groei. Er werden nieuwe dojo's geopend en karate werd aan de
universiteiten aangeleerd.
Tot in de jaren '60 bleven de gevechtskunsten beperkt tot het Oosten. Hier zou snel
verandering in komen. In 1963 vertrok een team van drie mensen om Amerika en Europa te
veroveren. Dit team bestond uit Mr. Arakawa, Mr. Takashima en Mr. T Suzuki. De impact
was enorm, Wado-Ryu karate werd wereldwijd erkend om zijn ware verdiensten. Tegen de
jaren '70 werd karate overal in de Westerse wereld beoefend.
In 1980 scheurde omwille van een intern probleem een nieuwe stijl af, de Wado-Kai.
Ohtsuka dacht eraan zich terug te trekken en wilde dat zijn zoon hem opvolgde.
Andere hooggeplaatste Wado-karateka's gingen hier echter niet mee akkoord. Ondanks vele
onderhandelingen konden ze niet tot een overeenkomst komen en zijn de twee partijen hun
eigen weg gegaan.
Ohtsuka bleef het hoofd van de organisatie tot 20 november 1981. Zijn zoon volgde hem op.
Hij overleed 2 maanden later, maar wordt nu nog steeds erkend voor zijn enorme bijdrage en
toewijding aan Wado-karate.